Jezelf zijn

19e zondag door ht jaar, 12 augustus 2018
evangelie: Johannes 6,41-51
1Koningen 19,4-8. Psalm 34. Efesiërs 4,30-5,2

Jezelf zijn. Het klinkt heel positief. Authentiek, daar kan niemand bezwaar tegen hebben, toch? We zijn hier niet om alleen een rol te vervullen. We zijn niet alleen maar een nummer, maar we tellen mee als persóón. Gezien worden zoals we zijn, daar worden we blij van.

Toch is er ook een schaduwzijde aan die drang om jezelf te zijn. Het betekent bijv. dat je wel zelf geheel verantwoordelijk wordt om te slagen, om je doel te bereiken: of je gelukkig wordt, ligt helemaal bij jou. Dat geeft stress; het gevoel dat je er helemaal alleen voor staat. Je kunt je ervoor schamen om de hulp te vragen die je nodig hebt, want dat wordt (ook door jezelf) gezien als zwak. En ook samenwerken met anderen is lastig; wie is te vertrouwen? We zien het bij sommige wereldleiders, maar misschien ook wel bij onze buren, collega’s en bij onszelf: wie helemaal zichzelf is, hoeft geen rekening te houden met anderen? Jezelf zijn als hoogste doel – alsof je zelf het middelpunt bent – kan verzanden in eenzaamheid en wantrouwen. Als we alleen maar met onszelf bezig zijn – daar worden we niet blij van, en anderen ook niet.

Nu we zo tegen de grenzen van het individualisme aanlopen, klinkt – momenteel N.B. vanuit het bedrijfsleven! – de roep om verbinding: interesse tonen en rekening houden met elkaar. Verbinding zoeken zou een teken zijn van intelligentie. Nu wil niemand dom zijn, maar voorlopig verschuilt menigeen zich liever achter z’n eigen smartphone.

In de Bijbel vinden we niet letterlijk de oproep om jezelf te zijn, maar wel de oproep om te leven. Onder leven wordt niet verstaan onverstoord maar doen waar je zelf zin in hebt; die weg loopt dood [Ps 1,6]. Voor de mens is leven per definitie samenleven: met je naasten en met God. Maar kun je ook in dat samenleven “jezelf zijn”? Of moet je uiteindelijk wel gewoon in “het plaatje” passen?

Uit de lezingen van vandaag blijkt dat – hoe onafhankelijk wij onszelf ook achten – wij sowieso leven in verbondenheid, vanaf het begin van ons leven. Wij zijn niet toevallig ontstaan; wij zijn niet alleen door onze ouders, maar primair door God Zelf gewild, geliefd en dáárom in het bestaan geroepen. Gods liefde blijft! Meer nog, wij zijn geschapen naar Gods beeld en gelijkenis [Gn 1,27]; wij dragen Gods beeltenis in ons mee: een blijvende verbondenheid! En door Zijn Zoon haalt Hij de banden aan: Hij sluit een Nieuw Verbond [Heb 9,15 etc.]. Gedurende ons leven kunnen wij dat verbonden zijn ook nog erváren, zoals Elia in de Eerste lezing: juist op het moment dat we het niet meer zien zitten, kan het gebeuren dat het leven ons opnieuw wordt aangereikt, op een onverwachte wijze, door iemand die, zogezegd, op je pad wordt gestuurd, “een engel” [cf. 1K 19,3-8].

Maar dat leven is niet alleen een quaestie van ontvangen; verbinding, verbondenheid groeit doordat we zelf ook geven, teruggeven en doorgeven: eerst eer en dank aan God [Ps 34,2-4. Mt 6,9: Onze Vader]. Ons bidden, ons vieren hier in de kerk zijn geen opgelegde plichten, maar dè middelen om ons te blijven verbinden met de Bron en het Doel van het leven.

Dat geldt eveneens voor het menselijk samenleven. Paulus in de Tweede lezing noemt het onderhouden van die onderlinge band en een medemenselijke houding “God navolgen” [Ef 5,1]. God navolgen is niet “leven als een god in Frankrijk” of doen alsof je God bent en overal boven staan of fantasieën over wat je zou doen “als ik God was” [Peter Koelewijn]. Dat soort ik-gerichtheid heeft niks met God te maken. Want kenmerkend voor God in Wie wij geloven, is dat Hij mensen het leven geeft en al het goede daar nog bij. In Paulus’ woorden: waarachtig en opbouwend spreken en daarnaar handelen [Ef 4,29], goed zijn voor elkaar, vrijgevig, geduldig en – het moeilijkste misschien – vergevingsgezind [Ef 4,32]
– daarmee lijken wij op God!

Jezus gaat nog een stap verder: leven is jezelf geven [Joh 6,51 cf. Mk 8,35]. In uiterste gevallen kan het dan gaan tot de dood toe [Joh 15,13]. Maar je leven geven betekent in ieder geval: er zijn voor elkaar, elke dag. Daarmee maken wij de Naam van God waar; Gods Naam, JHWH, betekent immers “Ik ben er en Ik zal er zijn voor jou” [Ex 3,14].

“De Joden” in het evangelie klagen over Jezus’ boodschap [Joh 6,41]. En ook de mens van de 21e eeuw kan er bedenkingen bij hebben. Want staat deze visie op het leven niet haaks op ons verlangen om jezelf te zijn? In ònze ogen zeker niet! Want wie wij, mensen, ten diepste zijn, is beeld van God. Hoe meer wij op God lijken in onze houding, denken en doen, des te meer zijn wij onszelf! Jezus Christus gaat ons hierin voor, Gods Heilige Geest helpt ons hierbij. Door vrijgevig te zijn, ontdekken wij wie wij zijn. Dat is niet van buitenaf opgelegd, maar geïnspireerd van binnenuit. Om te beginnen: een glimlach heeft iedereen wel om te geven.

Toch, de angst om jezelf te verliezen, is reëel. Ook ik ben soms moe [cf. 1K 19,4]. Als we niet uitkijken, raken we uitgeput: thuis gaat het moeilijk; met sommigen kun je gewoon niet opschieten. Als wij voortdurend proberen te voldoen aan verwachtingen en verplichtingen die ons van onszelf vervreemden, wordt ons leven puur een gevecht om te overleven.

Onze levenslange zoektocht om jezelf te zijn, plaatst dus niet onszelf in het middelpunt: wij richten ons hiervoor op de Oorsprong en het Doel van ons bestaan. Om van harte authentiek te kunnen leven, gelijkend op Hem, zoals God de mens heeft bedoeld, moeten wij wel gevoed blijven worden. Jezus zegt ons vandaag dat Hij het brood is om van te leven [Joh 6,48]. Dan gaat het over het Voedsel dat wij broodnodig hebben [Mt 6,11: Onze Vader]: Zijn voorbeeld [Ef 5,2], Geest, Woord en – tastbaar – Sacrament [cf. Ps 34,9]. Dan gaat het eveneens om het voedsel dat wij in Zijn Naam aan elkáár te eten geven. Wie alleen maar met zichzelf bezig is, hééft geen leven. Door al het goede èn de moeilijkheden samen te delen, ontstaat echter een verbinding, een band, waarin Gods kracht en liefde doorbreken [cf. 2Kor 12,9v].

Wie ernaar zoekt zichzelf te zijn, wordt zich vandaag bewust dat je dit waar maakt door in je dagelijkse leven herkenbaar te zijn als beeld van de levengevende God. Streven naar verbinding (met God en naaste) is daarom veel méér dan een teken van intelligentie. Samen leven, in de Geest van Christus, is een teken van liefde die leven geeft en wel in overvloed [cf. Joh 10,10]. Mogen wij, zoals we in Psalm 34 baden, ook erváren dat de Heer Zich in deze Eucharistie opnieuw met ons verbindt en Zelf ons Voedsel wordt voor onderweg [Ef 5,2] tot wij samen de berg bereiken waar God woont [1K 19,8], nu en hierna. Amen.

Pater Mark-Robin Hoogland C.P., Provinciaal van de Passionisten in Nederland