Overvloed wordt nog overvloediger

17e zondag, 29 juli 2018
evangelie:
Johannes 6,1-15
2Koningen 4,42-44. Psalm 145. Efesiërs 4,1-6

De Eerste lezing klinkt als een eenvoudig verhaaltje: Er komt een man met 20 broden; er zijn 100 gegadigden; maar dankzij de profeet Elisa eten allen genoeg en is er toch nog over. Ook het evangelieverhaal kan zo overkomen.

Maar als je beter leest, zie je dat het een heel spannend verhaal is. Want die 20 broden zijn niet zomaar brood; zij zijn afkomstig uit Baäl-Salisa, in Samaria, het afvallige Noorden van Israël. Daar wordt de afgod Baäl vereerd. Baäl is de god van de vruchtbaarheid. In het trouwe Zuiden van Israël, Judea, woedt een hongersnood [2K 4,38]. In die situatie biedt een vereerder van Baäl aan de man van God maar liefst 20 broden aan. En dat is alleen nog maar de eerste oogst. Het lijkt een eerbetoon, maar in feite is het een provocatie. De vereerder van Baäl wrijft het er even stevig in: waar God vereerd wordt heerst hongersnood, maar bij Baäl is er overvloed [2K 4,42: Salisa betekent drievoudig]. In de Eerste lezing staat zo alles op scherp!

Je kunt er een parallel in zien met onze huidige situatie: om ons heen gaat het goed, nou ja, volgens de cijfers dan. De AEX rijst de pan uit, de werkgelegenheid blijft stijgen, de inflatie is laag en stabiel etcetera. Maar in de geloofsgemeenschap is er een ernstige krisis: Paus Franciscus wordt op handen gedragen, maar de Kerk als geheel heeft op z’n zachtst gezegd een enorm imagoprobleem. En waar is het vúúr van de Geest, dat ons innerlijk vernieuwt en leven geeft in overvloed? [cf. Joh 10,10. 2Kor 6,1-10 etc.]. Het contrast is voelbaar. Daardoor ontstaat een dilemma: ons als Kerk volledig afsluiten van de wereld of toch wel dingen van buiten accepteren. Maar hoe dan?

In de Eerste lezing komt de naam van de profeet Elisa niet voor [wel in vertalingen, maar niet in de oorspronkelijke tekst]. Hij wordt hier steevast de man [Hebr]/mens [Gr.] van God genoemd. M.a.w., het gaat niet om hemzelf als individu, maar het gaat erom dat hij handelt en moet handelen als mens van God, als profeet, als het voorbeeld voor die honderd man die met hem op weg zijn. Dus, wat moet in deze situatie de mens van God in Gods Naam doen? Want als hij de 20 broden niet zou accepteren, verhongeren zijn honderd gezellen, of ze komen in opstand, of zij verlaten hem, teleurgesteld. Zij hebben immers honger. Als hij echter de broden wel zou aannemen, erkent hij dan niet impliciet dat die afgod het volk zegent en God niet? Maar bovendien, ook als hij de broden wel aanneemt, lijkt dat niks op te lossen, want er is toch niet genoeg voor 100 man. Dit is geen win-winsituatie, maar een verlies-verliessituatie.

Een man/vrouw van God laat in houding, woord en daad zien hoe God is [Ef 4,1]. Wat doet deze man van God, deze profeet dan in deze situatie? Hij neemt de broden, de overvloed van de afgodendienaar aan. Maar niet zomaar: hij neemt de broden aan om de honger van zijn gezellen te stillen. Daarmee maakt hij als profeet kenbaar dat God niet wil dat mensen verhongeren; een mens leeft niet van brood alleen [Mt 4,4 cf. Dt 8,3], maar óók van brood! Maar vervolgens blijkt die overvloed “van buiten” in de handen van de mens van God nog véél overvloediger te worden dan die al was. Dáármee maakt de profeet kenbaar dat de aardse overvloed – die nota bene ook afkomstig is van de ene God [Ps 145]
– in Gods Naam aangewend voor het welzijn van de mensen, nòg overvloediger wordt dan die al was. Er is dus wel een onderscheid, maar geen tégenstelling tussen het aardse en het goddelijke/gelovige/ kerkelijke! In dit verhaal wordt duidelijk dat wie met gelovig vertrouwen omgaat met de aardse overvloed die er is, nog veel meer overvloed voortbrengt – zelfs zoveel dat het “wonderbaarlijk” genoemd wordt en “vermenigvuldiging” [Joh 6,1-14 heet in de volksmond de Wonderbare Broodvermenigvuldiging].

In het evangelie van vandaag zien we dit bevestigd, zèlfs nog ver overtroffen door Jezus, dè ultieme Man van God [Mk 1,1. Ef 4,13]. Hij is al noordelijker dan Samaria, namelijk in Galilea, en Hij gaat dan nòg verder de marge in: naar de òverkant van het Meer van Galilea [Joh 6,1: “ofwel het Meer van Tiberias” en niet zoals de Willibrordvertaling 1975 geeft “bij Tiberias”]
– alsof dáár iets goeds vandaan kan komen [cf. Joh 1,46]. In de Eerste lezing gaat het om 20 broden voor 100 man, in het evangelie over maar vijf broden en wat vis erbij voor een enorme menigte van 5.000 man [Joh 6,9v]. Bij de profeet Elisa blijft er over [cf. bij het manna in de woestijn was er slechts “genoeg”: Ex 16,14-18], bij Jezus blijft héél veel over [Joh 6,13].

Toch zijn er ook tegengeluiden, van binnenuit. Je kunt ze nuchter noemen: de dienaar van Elisa en de apostelen Filippus en Andreas. Zij blijven bij de feiten: “20 broden voor 100 man, vijf broden voor een mensenmassa, dat is toch nooit genoeg?” [2K 4,43. Joh 6,7.9]. Inderdaad, geconfronteerd met een diepe krisis is het niet eenvoudig om hoop en vertrouwen te blijven houden. Armoede, honger, geweld, onrecht en de verwoesting van de natuur zijn zo wijd verspreid en de moeilijkheden in de Kerk zijn zo groot, wat kan ik/wat kunnen wij er nog aan doen? Wel, een jongetje dat vijf broden brengt, dóét tenminste iets. Al is het nog zo klein, zodra de Heer het zegent, groeit het uit tot iets groots [cf. Joh 6,11]. Ook al zouden we het willen, het is niet alleen in ònze hand...

In die korte Eerste lezing staat alles op scherp. Er heerst een diepe krisis, een ware hongersnood. Naar wie laat een mens van God nu zijn oren hangen? Richt hij zich volledig op de aardse overvloed en dat is het dan: geluk voor de rijken, pech voor de armen? Of blijft hij bij de kale feiten; iedereen kan het narekenen, er is niks aan te doen? Of werkt een mens van God mee met de Gever van de overvloed? Geïnspireerd door wat bijv. Paus Franciscus schrijft en doet, gaan steeds meer mensen meewerken en ervaren dat er wel degelijk meer dan genoeg is voor iedere mens – iets wat je je op afstand niet kunnen voorstellen.

De evangelielezing doet denken aan de Eucharistie: iedereen die achter Jezus aan trekt en rondom Hem samenkomt [Joh 6,5], wordt door Hem gevoed; niemand stuurt Hij weg! Hij wil niet dat mensen verhongeren. De Mens van God neemt het brood dat voorhanden is, zegent het, breekt het en deelt het uit aan de mensen om Hem heen [Joh 6,11]. Wie zo omgaat met zijn overvloed aan brood: met tijd en geld en energie; wie zo omgaat met de gekregen overvloed aan geloof, hoop en liefde, die brengt het Rijk van God dichterbij, waar wij dagelijks in het Onze Vader om bidden. Moge Hij ons hier voeden en inspireren om zo te leven, zodat wij ook zelf het geluk vinden dat de God voor de mens heeft bedoeld. Amen.

Pater Mark-Robin Hoogland C.P., Provinciaal van de Passionisten in Nederland