De conclusie

Feest van de Drie-eenheid, 27mei 2018
evangelie: Mattheüs 28,16-20
Deuteronomium 4,32-40. Psalm 33. Romeinen 8,14-17

Niets is zo vanzelfsprekend als de Drie-eenheid van God...? Voor ons? Ja, het is centraal in het geloofsleven van alledag, vanaf het begin: iedereen die gedoopt wordt, wordt gedoopt in de Naam van God: Vader, Zoon en Heilige Geest [cf. Mt 28,19]. Of je nu op het voetbalveld bent, in de executieruimte van een Amerikaanse gevangenis, of in een kerk, mensen slaan een kruis: dankend, smekend, in geloof, met hoop en vragend om leven, wijsheid, kracht. Als er iets gezegend wordt – wat dan ook: het dagelijks brood, twee mensen die elkaar trouw-voor-het-leven willen beloven, onze huisdieren (op Dierendag) en vee zelfs auto’s, motoren, noem maar op – steeds zegenen wij in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

En tegelijkertijd lijkt de Drie-eenheid van God totaal afwezig in ons denken over God. “Hoe kun je nog geloven?,” wordt dan gezegd; “Kijk eens naar al dat lijden in de wereld: hoe kan God dat toestaan? Nee, al die ellende is het bewijs dat er geen God is.” Mensen die iets verder kijken, kunnen nog wel komen tot een vermoeden “dat er zoiets als een god zou zijn.” Maar agnosten zijn nog geen gelovigen.

Laten we vandaag, op het Feest van de H. Drie-eenheid eens die vraag bekijken: Hoe kan God al dat kwade toestaan? Deze vraag veronderstelt dat God er niks aan doet, hoewel Hij dit zou kunnen; “Hij is toch almachtig?” [cf. Mt 28,18] Op het eerste gezicht kan dit zo lijken; het gaat maar door, alsof God alleen maar toekijkt vanuit de hemel.

Dat is “God” zoals menigeen zich Hem voorstelt, ook wel “de God van de filosofen” genoemd; zo kunnen wij God bedenken. Maar in de Bijbelse verhalen ontmoeten wij een heel andere God: begaan [Ex 3,7-10 etc.] en actief [W 7,24 etc.]. God geeft ons uit liefde vanaf het begin het goede: heel de schepping, de geboden als richtingwijzers in de woestijn van het leven en Hij roept profeten om ons te leiden [Dt 4,32-40]. God ging nog verder: Hij bleef niet “hoog op Zijn troon” zitten [Ps 11,4. 103,19], maar om ons tot waarlijk vrije mensen te maken, deelde Hij ons leven als mens met ons, tot het uiterste toe [Joh 13,1. Fil 2,6-8. Heb 2,18]. En alsof dat nog niet genoeg was, heeft God blijvend zijn intrek genomen in ons [Joh 14,23]: niet van boven, van buitenaf, met dwang, maar van binnenuit inspireert Hij ons met geloof, hoop en liefde en al het goede er nog bij. Zo geeft Hij ons het leven nu en hierna. Met dit alles voor ogen, kun je niet beweren dat God niks doet aan de ellende in de wereld, toch? “Heer onze Heer, hoe zijt Gij aanwezig en hoe onzegbaar ons nabij! Gij zijt voordurend met ons bezig, onder Uw vleugels rusten wij.”

Uit dankbaarheid hebben wij in drie stappen Kerstmis, Pasen en Pinksteren gevierd: God voor ons, God met ons, God in ons. God is niet vreemd, God is niet van gisteren, God is niet ver weg [Hnd 17,28. Ef 2,19 etc.]; Hij is deel van ons dagelijkse leven, vanzelfsprekend.

Mij valt het dan op dat, als mensen over “God” spreken – Jeroen Pauw maar het komt ook voor bij de EO, om maar twee uitersten te noemen – het niet over de Ene God gaat, maar over een god die totaal vreemd is, over wie we niets kunnen weten; over god als iets van vroeger en heel ver weg... Het kan zijn dat we God zo ervaren. Maar onze ervaring kan ons misleiden!

Op het feest van de H. Drie-eenheid vieren we de conclusie van de drie grote feesten: God voor ons, God met ons, God in ons. Wij vieren dit niet omdat wij het begrijpen, omdat wij “het probleem van God” opgelost zouden hebben, maar omdat wij dit gelóven. Het kruisteken dat dagelijks maken, vat het mysterie van ons geloof samen. We maken het misschien dikwijls zonder erbij na te denken en dat is niet erg; we groeien in geloven * door het te doen, zogezegd.

Maar omgekeerd, als wij nadenken zonder te geloven, als wij bij ons denken ons geloof op een zijspoor zetten, gaat het mis. Want God voor ons, God met ons en God in ons gaat over heel ons dagelijkse leven: over de keuzes die wij maken, over hoe wij met elkaar omgaan. Paulus in de Tweede lezing spreekt over onze angst. Hoe vaak is angst niet onze drijfveer? Voor een god ver weg die boos wordt als je niet aan Zijn verwachtingen voldoet, kun je angst hebben. We kunnen angst hebben voor de onzekere toekomst. Angst voor medemensen kan ons gijzelen: wantrouwen, afkeer. Daarom schrijft Paulus aan de christenen van Rome dat zij de Heilige Geest hebben ontvangen; voortaan kun je dus zònder angst leven. Dàt betekent geloven in “God”; God herkennen wij als Abba, Vader, en mensen blijken onze broers en zussen [Rm 8,15-17 cf. Jezus in Mt 28,18-20].

Hoewel we op de zondag van de Drie-eenheid alleen maar de conclusie trekken van Kerstmis, Pasen en Pinksteren – niks nieuws dus – is het goed om de samenvatting van ons geloof telkens weer te vieren. Want voor we het weten, denken we dat wij God begrijpen – ver weg, van lang geleden en vreemd – en vergeten we als het ware om te geloven.

Moge het vieren van het Feest van Gods Drie-eenheid ons doen groeien in geloven: dan zullen wij leven van hoop en het niet besterven van angst en als kinderen van God zullen wij de liefde in praktijk brengen zoals Hij. Mogen wij zo het geluk vinden dat Hij voor de mens heeft bedoeld – nu en hierna. Amen.

Pater Mark-Robin Hoogland C.P., Provinciaal van de Passionisten in Nederland

 

*verkrijgbaar ook via de auteur: markrobin00@yahoo.com