Hemelvaart, hoe dan

Hoogfeest van Hemelvaart, donderdag 10 mei 2018
evangelie: Marcus 16,15-20
Handelingen 1,1-11. Psalm 47. Efesiërs 1,17-23


In Nederland zorgt de Kerk “nog steeds” grotendeels voor de vrije dagen: om ontspannen te gaan fietsen, maar zeker ook om ons te laten bezinnen op ons eigen leven – in het licht van het Goede Nieuws van God. Zo’n extra vrije dag is leuk, maar het Feest van de Hemelvaart heeft als wij nadenken over de zin van ons bestaan, meestal niet zo’n centrale plaats. Want zodra we ons gaan voorstellen hóé die hemelvaart dan gegaan zou zijn, merken we al meteen dat we het niet begrijpen, als het goed is, tenminste.

Echter, kerkelijke feesten gaan nooit over het hóé: hoe kan een kind geboren worden uit een maagd; hoe kan Hij van gedaante veranderen op een berg; hoe kunnen brood en wijn tot Jezus’ lichaam en bloed worden; hoe kan Hij opstaan uit de dood; en “Hemelvaart, hoe dan”? Als we met deze vragen in ons geloof willen staan, wordt geloven vreemd, te vreemd.

Wie niet zoekt naar het hoe, maar naar de betékenis van het Feest van de Hemelvaart voor ons leven, zal merken dat geloven in Degene “Die opgestegen is ten hemel” [Credo] niet zo vreemd is – meer nog: dat het Feest van Hemelvaart ons tot een centraal gegeven brengt in ons geloof! We vieren vandaag dat Jezus Christus “met lichaam en al” naar God terug is gegaan, om voor ons een plaats te bereiden [Joh 14,2v]. Dat lichamelijke is totáál onbegrijpelijk, maar het is precíés waar het om draait.

Zo ook met Pasen, 40 dagen geleden. Toen vierden we de verrijzenis van de persoon van Jezus uit de dood. Het Evangelie verhaalt dàt (en niet hóé!) Maria Magdalena Jezus wil vasthouden [Joh 20,17], dat (en niet hóé!) Thomas zijn hand in Diens wonden kan leggen [Joh 20,27] en dat (en niet hóé!) Jezus Zijn vrienden op het strand brood en vis aanbiedt [Joh 21,12-15a]. Bij de opstanding uit de dood wordt dus het lichamelijke benadrukt. En zo ook bij de hemelvaart.

Nu kunnen wij ons voortleven na de dood in zekere zin nog wel voorstellen, als het om de ziel gaat; velen die zich ongelovig noemen, geloven dit zelfs. Maar blijkbaar doet óók het menselijke lichaam ertoe voor God. In de eerste eeuwen van het christendom is er een enorme strijd geweest of het lichaam van Jezus wel echt was: was het geen schijnlichaam? Want ja, lichamelijkheid en Godheid gaan toch niet samen? [Joh 4,24] En lichaam en zonde hangen wel heel nauw samen, was de redenering.

Sommige stromingen (zoals de gnosis/gnostiek – momenteel weer toenemend populair, maar om de verkeerde redenen) benadrukten dat het alleen maar om de ziel zou gaan: om wijsheid, kennis en het geestelijke; het menselijke lichaam was volgens hen maar een tijdelijk en onbelangrijk voertuig: ballast! Uiteindelijk hebben wij als Kerk deze visie níét geaccepteerd. Wij, katholieke christenen, zeggen: door een menselijk lichaam aan te nemen en de Mensenzoon lichamelijk te laten verrijzen, heeft God de gehele menselijke persoon aangewezen als iets góéds, als iets wat niet verloren moet gaan [Ef 1,22. Fil 2,9]. Poëtisch gezegd: de Eeuwige heeft heel de mens omarmd. De hemelvaart van Jezus toont aan dat in Gods ogen het lichaam dus niet onbelangrijk, verdacht of slecht is, maar een wezenlijk onderdeel van ons mens-zijn en dus “hemelwaardig”.

Dat heeft gróte consequenties voor ons, die voor elkaar zo goed als God willen zijn [Mt 5,48. Lk 6,46]. In navolging van Hem willen ook wij aandacht hebben voor heel de mens: geest, ziel en lichaam. Daarom zijn er vanuit de Kerk bijvoorbeeld vele ziekenhuizen opgericht met zorg voor de ziel (geestelijke verzorging), de geestelijke (psychiatrie) èn de lichamelijke gezondheid. “Missie” door de Kerk is nooit alleen maar “zielen redden” geweest; het doel van onze missionarissen was en is, om heel de mens uit een zinloos bestaan weg te voeren [cf. Rm 8,19] en te laten leven in verbondenheid met God door Jezus Christus. Of als het gaat om vluchtelingen: als er onderweg velen sterven, ráákt dat ons; we zeggen dan niet gemakkelijk: “Wat maakt het uit; God hebbe hun ziel.” Vanuit het gelovige inzicht dat het in Gods ogen gaat om heel de mens, zetten juist de kerken zich in voor hen die moeten vluchten en voor hen die geen thuis hebben. Of als het gaat om de ouderenzorg: als wij geven om ons lichaam, besteden wij ook geld aan de verzorging ervan, ‘zelfs’ als genezing onmogelijk lijkt.

Met Kerstmis, Goede Vrijdag en met Pasen beseffen wij dat Jezus altijd Zijn mens-zijn ten volle heeft behouden: wáárlijk: geboren, geleden, gekruisigd, gestorven en begraven, belijden wij. Vandaag gaat het nòg een stap verder: we vieren dat Jezus in Zijn volle mens-zijn zelfs naar de hemel is gegaan. Zo realiseren wij ons dat in Gods ogen Zijn schepsel van de mens zo waardevol is, dat héél de mens eeuwigheidswaarde heeft.

Vandaag moeten we dus niet naar de hemel staren [Hnd 1,11]: “Hóé kan dat nu allemaal?” Op ooghoogte vinden we de antwoorden: volgens het evangelie werkt na de Hemelvaart de Heer met Zijn vrienden mee [Mk 16,20], om ons mens-zijn volledig waar te maken: omwille van ons heil en evenzo omwille van ons welzijn, hier en nu en hierna. Amen.

Pater Mark-Robin Hoogland C.P., Provinciaal van de Passionisten in Nederland en Noord-Duitsland