Verwijzen

3e zondag van de Advent, "Zondag Gaudete", 17 december 2017
evangelie: Johannes 1,6-8.19-28
Jesaja 61,1-2a.10-11. Psalm = Lukas 1,46-54. 1Tessalonicenzen 5,16-24

“Hij die na mij komt, is groter dan ik” [Mk 1,7 cf. Joh 1,26]. Johannes de Doper verwijst; hij wijst niet op zichzelf, maar hij wijst naar Jezus*, Die na hem komt.

Hierbij moest ik denken aan het wielrennen, namelijk aan het beeld van degene die na een zware tocht als eerste over de finish komt en naar zichzelf wijst: “Ìk heb dit gedaan; ìk ben de grootste. Zij die na mij komen, zijn kleiner dan ik.” Nu wil ik degene die een etappe wint, hierom niet bekritiseren, maar het gaat mij om het beeld: het wijzen naar jezelf, zoals we dit bijv. ook doen met het maken van selfies. In ieder van ons zit de drang om ons te laten gelden en onze eigenwaarde te benadrukken.

Johannes de Doper echter presenteert zichzelf primair als iemand die doorverwijst: “Het gaat niet om mij, maar om een Ander. Deze is al onder ons aanwezig, maar jullie herkennen Hem nog niet” [cf. Joh 1,20-27]. Zo maakte hij de mensen alert en hoopvol en zo doet hij dat nog steeds. Want ook nu zoeken wij naar licht en uitzicht: in ons eigen leven en in de wereld om ons heen. Sommigen hebben daardoor hoge, ja zelfs messiaanse verwachtingen van de Paus of van politici als Donald Trump of Thierry Bodet of Jesse Klaver (“de jessias”) – alsof zij zelf alles nieuw zouden maken [cf. Ap 21,5] en àlle problemen zouden kunnen oplossen. Anderen zoeken veeleer hoopvol naar mensen die herkenbaar zijn als kinderen van God, die zijn als instrumenten van Zijn vrede en bijdragen aan gerechtigheid [cf. Mt 5,3-10]: zulke mensen zijn een houvast, maar ook een inspiratie die ons aanzet tot navolging.

Nu kan het lijken dat de woorden uit de Eerste lezing, van de profeet Jesaja, niet verwijzen: “De Heer heeft mij gezalfd, de Heer heeft mij gezonden” [Js 61,1]. Toen Jezus deze woorden voorlas in de synagoge van zijn geboortestad, stonden de hoorders versteld en helemaal toen Jezus vervolgde: “Vandaag zijn deze woorden in vervulling gegaan” [Lk 4,21]. “Dat is toch de zoon van de timmerman om de hoek?” [cf. Mk 6,3. Lk 4,22]. De inwoners van Nazareth herkenden Hem niet.

Toch verwijst ook Jezus, óók in deze tekst van Jesaja: “De Heer heeft mij gezalfd, de Heer heeft mij gezonden” [Js 61,1]. Dus: “Ik spreek en handel niet uit Mijzelf, maar naar wat Ik heb gehoord en gezien” [Joh 5,19.30. 8,28]. Als we het Evangelie nauwgezet lezen, zal het opvallen dat Jezus steeds weer verwijst: naar Zijn Vader – als Oorsprong, Norm en Doel – èn dat Hij verwijst naar de mensen: “Ik ben gezalfd en gezonden “naar hen die arm en ziek zijn, naar hen die gebroken zijn en onvrij” [Js 61,1]. “Ik ben gekomen om te dienen” [Mk 10,45 cf. Joh 13,1-14]. M.a.w., Jezus verkondigde niet Zichzelf maar Hij verkondige, Hij verwees naar het Rijk Gods.

Daarom: Gaudete! Verheugt u! Want deze houding van Johannes de Doper, deze houding van Jezus Zelf brengt ons daadwerkelijk de verlossing van ons ik-gerichte denken. De geloofsgemeenschap die de Kerk is, heeft al 20 eeuwen lang met vallen en opstaan dit proberen door te geven. We zien in de geschiedenis dat het mis gaat wanneer de Kerk, haar leiders en haar gewone leden, ik-gericht worden, waar de status en de structuren belangrijker worden dan de arme, zieke, gebroken en onvrije mensen. In het voetspoor van Johannes de Doper, in de Geest van Jezus Christus moeten wij als gelovigen steeds verwijzen: naar Degene Die groter is dan ons hart [1Joh 3,20] en naar degenen die belemmerd worden om op een menswaardige manier te leven.

Het is daarom dat Paulus de christenen van Tessalonika aanspoort om de Geest niet te laten uitdoven [1Tes 5,19]. Dan gaat het niet op de eerste plaats om een vurig enthousiasme [Js 23,12], maar om het vuur van de liefde [1Kor 13,8], waardoor wij aandacht krijgen voor elkaar en waardoor wij dankbare mensen worden [1Tes 5,18]
– dankbaarheid: ook weer een verwijzing, namelijk naar Degene Die ons al het goede geeft.

Verwijzen? Het gaat in tegen onze overlevingsdrang en geldingsdrang. En als we dan ook de Geest nog uitblussen, gaan we ons afvragen wat het allemaal uitmaakt: “Waar is het eigenlijk allemaal goed voor?!” Met zo’n negatieve houding doven we bovendien nog het vuur uit bij anderen: “Ach, vergeet het toch, man. Denk gewoon aan jezelf...”

Johannes, “niet hij was het licht, maar hij moest getuigen van het licht” [Joh 1,8]. Wie naar zichzelf verwijzen, ontkennen waar ze vandaan komen en vergeten waarheen zij op weg zijn. Doelloos en verveeld draaien zij om hun eigen as. Wie naar zichzelf verwijzen, zal het ontgaan dat Degene Die wij zoeken al onder ons aanwezig is [Joh 1,26]: “Wat je voor de minsten van Mijn broeders en zusters hebt gedaan, heb je voor Mij gedaan” [Mt 25,40]. De Koning wordt gevonden waar we het niet verwachten: in een voerbak in een stal [Lk 2,7]. Engelen hebben naar Hem verwezen...

Samen Eucharistie vieren is een oefening in verwijzen: zij verwijst naar vroeger – Jezus’ laatste Avondmaal – en zij wijst vooruit naar het hemels gastmaal. Eucharistie verwijst naar de Heer Die Zich geeft en naar onze naaste die samen met ons Hem ontvangt. Zij verwijst naar Zijn leven gevende aanwezigheid en naar Zijn verborgen zijn.

Zoals heel Johannes’ leven een doorverwijzing was, zoals Jezus’ leven verwijst – Zijn licht heeft ons, onze weg, onze wereld verlicht [Joh 1,4v]
– zo kan ook ons eigen leven verwijzen: waarachtig en rechtvaardig, goed en liefdevol verwijzen wij naar het Geheim van het leven. Hij Wiens geboorte wij dadelijk vieren, wijst ons de weg [Ps 128,1. Js 2,3. Hnd 3,15], is de weg [Joh 14,6] en gaat met ons die weg [Lk 24,15vv] – omwille van ons welzijn en omwille van ons heil. God-dank. Amen.

*Van oudsher wordt Johannes de Doper afgebeeld met zijn wijsvinger horizontaal.

Pater Mark-Robin Hoogland C.P., Provinciaal van de Passionisten in Nederland