Leven van de hoop

2e zondag van de Advent, 10 december 2017
evangelie: Marcus 1,1-8
Jesaja 40,1-11. Psalm 85. 2Petrus 3,8-14

We leven in een tijd van realisme. Dagelijks worden we met onze neus op de feiten gedrukt: oorlog en vluchtelingen, honger, corruptie, onderdrukking, geweld tegen vrouwen “here too”, verwoesting van de natuur – het is elke dag hetzelfde liedje, lijkt het wel. We kunnen er ook niet omheen; we willen onze ogen niet sluiten voor de realiteit van het kwade.

Of, is dit juist een tijd van de hoop? Paus Franciscus is al jaren een profeet van de hoop. Waar hij ook maar komt – van Myanmar tot de daklozen van Rome – hij spreekt van de hoop. Bij welke gelegenheid dan ook – van Wereld Autismedag tot de Wereld Jongeren-dagen – Paus Franciscus getuigt van de hoop. In interviews, toespraken en encyclieken heeft hij het over hoop. Juist in schijnbaar uitzichtloze situaties en te midden van onzekerheid, brengt de huidige paus de wereld een boodschap van hoop: wanhoop niet; wees moedig, sta op, laat een ander geluid horen, wees dienstbaar en barmhartig; je staat er niet alleen voor!

Mij spreekt dit enorm aan; ik ben Passionist en lid van de Nederlands-Noordduitse provincie die genoemd is naar “Maria, Moeder van de heilige Hoop” [afkorting: SPE]. Die naam geeft aan dat wij, Passionisten, zelf mensen van hoop moeten zijn: hoop uitstralen, hoop tastbaar concreet maken in houding, woord en daad; hoop belichamen, een opdracht.

Maar is dit zulke hoop wel realistisch? “‘Troost, troost Mijn Stad toch,’ zegt uw God, ‘spreek Jeruzalem moed in’” [Js 40,1]. Deze woorden klinken nogal cynisch na afgelopen week [waarin de Amerikaanse President Trump Jeruzalem officieel tot hoofdstad van Israël verklaarde]. Maar ook in de tijd van Jesaja klonken deze woorden vreemd. Want de Stad lag in puin [cf. Js 52,9] en de bevolking was gedeporteerd [cf. Js 35,10. Ps 126]. Toch is precies dat een kenmerk van hoop: hoop heeft betrekking op datgene waarnaar we verlangen maar wat we nog niet zien. Wanneer we het zien en concreet ervaren, is onze hoop vervuld [Rm 8,24]. M.a.w., hoop is in deze zin nooit realistisch.

Wel kun je je afvragen waarop je hoop/onze hoop is gebaseerd. “Ik hoop dat het nog goed komt”: een gebroken relatie weer hersteld; een ziekte overwonnen; slagen voor een examen; vrede wereldwijd in plaats van geweld?

In de lezingen van vandaag zien we dat de hoop die in ons hart gewekt wordt, gebaseerd is op Gods belofte: Hij zegt Zijn volk toe dat Hij komt met gerechtigheid en vrede. Een belofte. En om die belofte kracht bij te zetten, laat Hij die belofte verwoorden door een profeet, Jesaja in dit geval. Jesaja wordt zo als verkondiger zelf een teken van hoop: iemand die zich laat sturen, niet terugschrikt en mensen opzoekt om een ander geluid te laten horen. Een profeet wordt een teken van hoop, omdat door zijn/haar aanwezigheid al iets zichtbaar wordt van het goede waarnaar wij verlangen; de profeten en hun boodschap zijn een concreet begin van het goede dat aan het doorbreken is [cf. Js 43,19].

Onze hoop wordt gevoed door tekens van Degene op wie wij vertrouwen. Zo zijn naast profeten de Eucharistie en ons samenkomen om Eucharistie te vieren tekens van hoop; het goede van God gebeurt hier – wij worden onderweg door Hem Zelf gevoed – èn het wijst vooruit naar de vervulling ervan. Waarachtige hoop hangt dus niet zomaar in de lucht: “We hopen er maar het beste van.” De hoop die ons doet leven, is gebaseerd op de belofte van Degene op wie wij vertrouwen. Ter vergelijking: als de president van Amerika of Rusland zegt “Het komt goed; het wordt vrede,” zal dit alleen hoop wekken bij de mensen die vertrouwen hebben in die president . Bij mensen die die president wantrouwen, komt de boodschap niet aan.

Zo werkt dat ook bij de verkondiging van het Goede Nieuws van God: wij kunnen alleen onze hoop vestigen op een profeet (iemand die spreekt en handelt in Gods Naam), als wij geloof hebben, “al is het maar zo groot als een mosterdzaadje” [Mt 17,20]. Ter vergelijking: mensen die deskundig zijn, wekken vertrouwen, want zij weten tenminste waarover ze het hebben. Mensen die wijs zijn, nog meer, omdat zij weten hoe die kennis toe te passen. Mensen die goed zijn, achten we betrouwbaar, omdat ze oprecht zijn en het goede voor anderen bevorderen. Mensen die wijs en goed zijn èn machtig, kunnen rekenen op “het volste vertrouwen”, omdat zij ook echt in staat zijn om dat goede te bewerkstelligen. In die lijn komt de Eeuwige [2Pe 3,8], de Almachtige en Barmhartige, Goede, God, ons absolute vertrouwen toe. Hij is de basis van al onze hoop, zoals we die vaak bezingen.

Als wij onze huidige tijd een tijd van hoop noemen, erkennen wij dat we de situatie niet zelf in de hand hebben. Hoop komt zonder controle en daarom met geduld. En dat maakt hoop ook lastig in deze super snelle tijd. Want tijd vertalen wij in geld en vrijheid en verantwoordelijkheid worden dikwijls verward met onafhankelijkheid.

Hoop en geduld zijn niet passief, in tegendeel! Met hoop en geduld erkennen wij wèl dat het initiatief bij God ligt [1Joh 4,19]. Van Hem verwachten wij het goede: éérst luisteren wij [cf. Spr 18,13]. En zo kunnen wij ontdekken: dat ons spreken, àl ons denken en spreken in feite, een antwoord is aan Hem; dat ons liefhebben het doorgeven is van het goede dat wij eerder hebben ontvangen van Hem; dat alles wat wij doen en laten een meewerken is met Hem – “Maak Zijn paden recht [Js 40,3. Mk 1,3], maak je eigen paden recht [Ps 119,5. Ez 18,29].

Profeten léven van de hoop. Jesaja en Johannes de Doper en de meeste andere profeten hebben tijdens hun aardse leven de vervulling van hun hoop niet gezien. In die zin helpen zij ons om in onze onvervulde tijd geduldig te léven, niet wanhopig te worden, maar juist vol verwachting de beloofde gerechtigheid en vrede tegemoet te gaan [2Pe 3,13] in onze houding, woorden en daden: antwoorden, meewerken, doorgeven – omwille van ons welzijn en omwille van ons heil. Amen.

Pater Mark-Robin Hoogland C.P., Passionist SPE