Als je niet zoveel talent hebt

33e zondag door het jaar, 19 november 2017
evangelie:
Mattheüs 25,14-30
Spreuken 31,10-13.19-20.30-31. Psalm 128. 1Tessalonicenzen 5,1-6


Er zijn mensen die alles kunnen. Ze zijn intelligent, sportief, sociaal, goed met cijfers èn met talen, aan geld geen gebrek en ze hebben “the looks” er nog bij [cf. Spr 31,30]. Zij hebben geen vijf talenten; ze hebben er wel tien! En dan kijk je misschien naar jezelf en je denkt… ja, wat denk je dan? Juist voor de mensen die niet veel talenten hebben of zich niet bewust zijn van hun gaven, vertelt Jezus het evangelieverhaal dat we zojuist lazen.

Mensen met minder mogelijkheden dan anderen zijn wij in feite allemaal; het is maar met wie je je vergelijkt. Verschil in aanleg, gaven en talenten kan iemand onzeker maken en zelfs een gevoel van minderwaardigheid geven. Maar dit verschil is geen reden om je klein te maken en angstig of passief te worden. Angst is sowieso geen goede raadgever, lazen we zojuist al [Mt 25,24-30]. Iedereen heeft minstens één talent gekregen en iedereen is geroepen om met het talent dat hij gekregen heeft, te doen wat hij kan, d.w.z. om ermee te doen waar-voor het bedoeld is. Het feit dat we een talent of talenten hebben gekregen, impliceert de roeping om daar ook iets mee te doen. Zo werken we mee aan de komst van het koninkrijk van God, waarvoor we dagelijks bidden in het Onze Vader [Uw Rijk kome: Mt 6,10 cf. Kol 4,11].

Een dienaar met vijf talenten die ze verbrast aan feesten of ze alleen maar gebruikt om er zelf beter van te worden [cf. Lk 16,19-31], beschouwt de gegeven talenten als zijn eigendom. Wij kunnen ons aan hen vergapen, maar vruchtbaar is hun leven niet [Joh 15,16, cf. de sterke vrouw in Spr 31,10vv]. Zulk geluk is niet duurzaam. Anderzijds, iemand met weinig talent die denkt “ik kan niks” of die niks durft, doet eveneens zichzelf tekort èn Degene Die talenten geeft. Voor beiden geldt: als je er niks mee doet, handel je als iemand die ondankbaar is.

Wie gelooft, kan ontdekken dat wat hij heeft, gekregen is [cf. 1Kor 4,7]. Iedere dienaar heeft tenminste één talent gekregen. In de Bijbel is een talent (waar ons woord talent van afgeleid is,) het geld dat een gewone arbeider in 1.000 jaar verdient. Iedere dienaar, dus ieder van ons, ook degene die maar één talent heeft gekregen, is in feite rijkelijk bedeeld! Daarom al hoeft niemand zich minderwaardig te voelen [1Joh 3,1] of angstig. Want iemand met meer is daarmee nog geen betere mens en van iemand met één talent worden er geen vijf teruggevraagd [Mt 25,15b].

Toen ik dit evangelie eens met studenten las, ontspon ons gesprek zich echter in een andere richting. We bleven haken bij de verdeling van de talenten: waarom krijgen niet alle dienaren evenveel? Is het niet onrechtvaardig om aan de één vijf en aan de ander minder dan de helft te geven en weer een ander bijna niks? Is dat geen totale willekeur – of, nog scherper gesteld: Is God zo niet totaal onrechtvaardig en willekeurig? [cf. Mt 20,1-15] Met die vraag staat niet alleen de poort op een kier naar wantrouwen of boosheid jegens God, maar ook naar jaloezie t.o.v. je medemens.

Een interessant gesprek was dat. Zo is dit verhaal niet bedoeld. Die jaloersheid is echter op zich wel herkenbaar. Rijken en armen en wie daar tussenin is, steeds schaamtelozer overtreden we het 10e gebod: U zult uw zinnen niet zetten op iets wat uw naaste toebehoort [Ex 20,17. Dt 5,21]. En we doen dit voortdurend, soms zelfs ongemerkt. Want wie voelt hele-máál niets als familie, vriend, buur of een collega wèl die promotie krijgt, een mooiere, nieuwe auto heeft, een verre reis heeft gemaakt, in de loterij heeft gewonnen, lieve kinderen heeft die het op school beter doen dan die van jezelf [Ps 128,3b] enz.. In het groot zien we dat de ene stad een hoger gebouw wil dan het hoogste gebouw in de andere stad, dat het ene land zich machtiger en rijker voordoet dan zijn buurland. Heel kinderachtig eigenlijk.

Bovendien, al deze gedachten over wat een ander wel heeft en kan en jij niet, leiden je alleen maar af van je eigen leven. Wie steeds maar met een scheef oog kijkt naar anderen, leeft voorbij aan zijn eigen roeping en levensgeluk.

Maar in het gesprek met de genoemde studenten ging het dus niet alleen over onszelf, maar ook over hoe het dan zit met God. Zij begrepen heel goed hoe het werkt: de manier waarop wij denken over God heeft consequenties voor de keuzes die wij maken en voor de manier waarop wij met elkaar en heel de schepping omgaan. God is het laatste fundament van een christelijke ethiek. Als God nu willekeurig en onrechtvaardig zou zijn, waarom zou een mens dan niet lui [cf. Mt 25,26], egoïstisch en oneerlijk mogen zijn?

Waarom krijgt de één veel talenten, een ander minder dan de helft en weer een ander nog net niet niks? Met die vraag proberen we in feite Gods gedachten te lezen. Vruchtbaar is deze benadering nooit; we raken verward in onze eigen gedachten [cf. Js 55,8-9]. Toch dwalen we niet rond in de duisternis [Paulus in de 2e lezing: 1Tes 5,4v]. Johannes spreekt over God als een helder licht [1Joh 1,5 cf. Joh 1,5]. Als wij naar dat licht toe kijken, dus tegen het licht in kijken, als wij tot de kern van dat licht willen doordringen, worden wij verblind – of we zien eerder al niks, omdat we reeds verblind zijn door onze boosheid op God [blind van woede, cf. Ap 12,17] of door onze jaloezie [cf. W 2,21. 2Kor 4,4]. Kijken we daarentegen mee met dat licht, kijken we in de richting waarheen het licht van God schijnt, dan zien we wat Hij verlicht; dan kunnen we gaan zien o.a. hoe Hij aanwezig is en wat Hij doet. Dan ontdekken we dat met veel talenten ook veel verantwoordelijkheid komt (voor de naaste en het algemene welzijn). Dan zien we dat, ook al heb je misschien minder dan een ander, je evengoed geliefd bent en veel voor iemand kunt betekenen, dat ook jij verantwoordelijkheid draagt om het talent dat je van Godswege krijgt, vruchtbaar te maken: sowieso voor je eigen leven en ook voor je naaste.

In het licht van het evangelie worden wij in plaats van angstig of jaloers bewuste en dankbare mensen. Dankbaar omdat we ons realiseren dat wij geliefd zijn en zo van Godswege tenminste één talent gekregen hebben – genoeg voor 1.000 jaar! En wij realiseren ons dat wij zo zeer goed in staat worden gesteld om gelukkig te worden en gelukkig te maken. Tevens worden wij ons ervan bewust wat onze roeping, wat onze weg is en hoe wij onze levens-vervulling bereiken. Wat een ander gekregen heeft, hoef je daarvoor niet zelf te hebben.

Onze dankbaarheid hiervoor uiten wij door hier Eucharistie [= dankzegging] te vieren. En daarmee ontvangen wij opnieuw iets van Gods wijsheid en kracht, om met vertrouwen en met inzet van onze talenten voort te gaan op de weg die Hij ons voorgaat en voor ons openlegt – omwille van ons welzijn en omwille van ons heil [cf. Ps 128]. Amen.

Pater Mark-Robin Hoogland cp, Provinciaal van de Passionisten in Nederland