Teleurgesteld

25e zondag door het jaar, 24 september 2017
evangelie: Mattheüs 20,1-16
Jesaja 55,6-9. Psalm 145. Filippenzen 1,20-24.27a


Wie het eerst komt, die het eerst maalt. Wie meer werkt, krijgt ook meer betaald. “Het rijmt, dus is het waar!” Maar toch, dit klinkt ons rechtvaardig in de oren. Heel anders dan: “Eersten zullen laatsten zijn en laatsten de eersten” [Mt 20,16]. “Ik geef de werkers van het laatste uur hetzelfde als die de hele dag hebben gewerkt, omdat Ik dat wil” [cf. Mt 20,14v]. Dit zijn uitspraken van Jezus die de mensen van toen en ook ons tegen de borst kunnen stuiten; “Hij draait alles om!” Meer nog: “Is de Heer willekeurig?”

Rond Prinsjesdag klinkt de roep om rechtvaardigheid altijd iets sterker nog dan anders: menigeen wil meer waardering en “dus” meer loon. “Ik wèrk er toch voor?!” In het licht hiervan kun je je wel iets voorstellen bij de teleurstelling van de werkers van het eerste uur in het evangelie. De wijngaardenier, beeld van God in Jezus’ verhaal, denkt er echter heel anders over: de eerste werkers krijgen volgens afspraak één denarie; de anderen krijgen zogezegd meer dan zij verdienen. Zo wordt niemand tekort gedaan. “Jullie gedachten zijn niet Mijn gedachten” [Js 55,8] – zoveel is wel duidelijk vanmorgen!

Meer werk betekent bij ons in principe meer loon. Dit is een basisregel in onze ekonomie. Hier kleeft echter ook tenminste een nadeel aan: als werk en inspanning dan niet in geld wordt uitgedrukt, kan het voelen alsof het werk niet wordt gewaardeerd. Zo gebeurt dat wel bij huisvrouwen en huismannen en ook bij ons in het klooster. Iedere kloosterling krijgt per maand even veel, of je nu buitenshuis hebt gewerkt en geld hebt binnengebracht – alle inkomsten dragen wij af - of dat je ervoor gezorgd hebt dat binnenshuis alles goed verliep en je voor de gemeenschap geen geld hebt verdiend; dat maakt niets uit. Maar ja, toen ik stopte met werken in Rotterdam, zag ik dit aan het einde van het jaar wel terug op de begroting van het huis. Ik moest toch even slikken, omdat ik op de inkomstenbalans a.h.w. onzichtbaar was geworden!

Bij God gaat het er anders aan toe: Zijn waardering is niet afgemeten naar wat iemand verdient. Termen als overwerken, part-time en arbeidsongeschikt komen in de Bijbel niet voor! Opmerkelijk! Bij de Heer gaat het namelijk steeds om geheel-en-al en om méér dan alleen rechten en plichten. Bij Hem gaat het steeds weer om overvloed, vrijgevigheid, meer dan genoeg van het goede [Joh 10,10 cf. Ps 145 etc.] en dat we dit niet krijgen omdat wij het verdiend hebben, maar omdat God van ons houdt! [Joh 3,16 etc.]

Er is – ook vandaag in het evangelie – wel sprake van beloning: iedere dienaar, dus ieder die gediend heeft, krijgt één denarie [Mt 20,9v cf. 2Tes 3,10], d.w.z. genoeg om vandaag van te leven [cf. Ex 16,4]. Bij de Heer krijgt ieder die Hem dient genoeg om van te leven. En wie er aandacht voor heeft, kan ontdekken dat dit “genoeg” in goede tijden een overvloed is en in moeilijke tijden een houvast.

Het verbindingsstreepje staat dus niet tussen arbeid en loon, maar tussen dienen en leven. Dit zien we ook weerspiegeld in de Kerk. In veel beroepen heb je na zoveel dienstjaren recht op meer salaris of op promotie. Een priester, echter, die een langere tijd gediend heeft, krijgt niet automatisch “een paars randje” en al helemaal geen loonsverhoging! In Jezus’ Eigen woorden: “Als je gedaan hebt waartoe je geroepen was, zeg dan: ‘Wij zijn maar dienaars; wij hebben enkel onze plicht gedaan’” [Lk 17,10].

Dienen is dus geen quaestie van een betaalde baan. Dienen gebeurt bovendien op uiteenlopende wijzen: de handen uit de mouwen en meewerken (met/in de Geest), maar eveneens oog hebben voor wat ons te doen staat, tijd en aandacht en vriendelijkheid voor degenen die je ontmoet, een goed woord, een gebed. In het evangelie gaan de werkers aan de slag: zij worden geroepen en zij hebben geantwoord. Werkers in Gods wijngaard doen dit bereidwillig en dankbaar, want doordat zij zich geroepen weten, ontdekken zij ook zin en richting voor hun leven.

Daarom vind ik het zeer goed dat er steeds meer positieve aandacht komt voor vrijwilligerswerk: als je gepensioneerd bent, maar ook naast je studie (mij is dat altijd goed bevallen!) of naast je drukke baan. Iemand zegt: “Je bent gek; waarom vraag je er geen geld voor?!” Vrijwilligers spreken uit ervaring: je bent anders bezig, met liefde, je voegt echt iets toe en je komt op een ongekende manier in contact met anderen en wat je van hen terugkrijgt is onbetaalbaar!

En als je niet kunt werken (voor geld), om wat voor reden dan ook? Door de manier waarop je aanwezig bent en oprecht liefde, vrede en goedheid uitstraalt [cf. 2Kor 6,6. Ga 5,22] draag je meer bij dan met woorden te beschrijven is of met geld is uit te drukken.

Want dienen is bijdragen. Dienen is teruggeven wat je aan talenten en goederen hebt gekregen [cf. Ps 116,12. 1Kor 4,7] – niet òm er zelf beter van te worden – maar je wòrdt er wel beter van, namelijk op een manier die je niet had bereikt als je alleen maar aan jezelf en je beloning had gedacht.

Het is niet eenvoudig om in een samenleving die gebaseerd is op rechten en plichten, waarin waardering uitgedrukt wordt in geld en waar eigenbelang en wantrouwen dikwijls de boventoon voeren, een andere houding aan te nemen, een andere weg in te slaan. Maar juist daartoe worden wij, als we hier samenkomen, geroepen (Woord), gesterkt (Sacrament) en geïnspireerd (Heilige Geest). En wij realiseren ons als wij samen Eucharistie vieren dat wij niet als eenlingen die weg proberen te gaan, maar in verbondenheid met zovelen van goede wil, wereldwijd.

Zo ontdekken we gaandeweg de ongelofelijk grote rijkdom die niet in geld is uit te drukken en die we niet kunnen vergaren, maar alleen kunnen ontvangen.

“Jullie gedachten zijn niet Mijn gedachten,” zegt de Eeuwige. “Laatsten zullen eersten zijn en eersten laatsten.” God denkt niet in termen van recht op meer loon, overwerken, part-time en arbeidsongeschikt, maar in termen van dienen en leven, overvloedig: dus met heel je hart en ziel ontvangen en doorgeven, bijdragen en zo voor elkaar zo goed als God zijn [Mt 5,48].

Het is een voorrecht om Hem zo samen te dienen, vanaf het eerste uur [cf. Augustinus, gedoopt toen hij 32 was: “Te laat heb ik U liefgekregen”], want elke dag geeft Hij ons zo genoeg om van te leven, als een overvloed en als een houvast. Zo laat Hij ons verder uitgroeien tot mensen naar Zijn hart en laat Hij ons het geluk vinden dat Hij voor de mens heeft bestemd voor nu en hierna. God-dank. Amen.

Pater Mark-Robin Hoogland C.P., Provinciaal van de Passionisten in Nederland